De motorrijder rijdt in een slalom (bochten links- en rechtsom) tussen alle pylonen door. De examinator let voornamelijk op het in balans houden van de motor in combinatie met een juiste bediening.

Wijze van uitvoering (beheersing voertuig) De motorrijder: 

  • –  rijdt in een rechte lijn aan op de eerste pylon (rijdend of vanuit stilstand) en rijdt na de laatste pylon weer in rechte lijn weg 
  • –  regelt de snelheid zonodig met behulp van gas geven en de voetrem. Het gebruik van een slippende koppeling is verplicht. 
  • –  stuurt vanuit de heupen en/of door verdraaiing van het stuur 
  • –  rijdt met een combinatie van linker- en rechterbochten om alle pylonen een slalom.